Taalloos eens-zijn
Referentie: Berghs, Harry, Denk-Wijzen 1, Leuven: Acco, 1986, 134 p.
Plaatskenmerk: UA-CST FILO 19 F DENK 1
Extract: "Elke dialoog ontvouwt zich op de grondslag van wederzijdse erkenning van subjecten die elkaar onder de categorie ikheid identificeren en tegelijk hun niet-identiteit vasthouden. Het opheffen van de niet-identiteit leidt tot een taalloos eens-zijn; het opheffen van de identiteit aan de andere kant leidt tot een taalloos vervreemd-zijn. De paradox waarop Habermas wil wijzen kan ook in de terminologie worden uitgedrukt die Levinas hanteert: het gij van de intersubjectieve relatie verschijnt zowel als een 'alter ego', d.w.z. als een ik zoals ook ik een ik ben, en tevens als de andere, 'autrui', als radicaal anders. De relatie tot de andere is dus tevens symmetrisch : we zijn allen een ik, we zijn aan elkaar fundamenteel verwant, alsook a-symmetrisch : de andere is mij vreemd en komt als een vreemde(ling) op mij af." (pg. 107-108)
Soort bron: een algemene inleiding in het denken van een filosoof
Commentaar: Ik beelde me identiteit en niet-identiteit in zoals in het schilderij Geïntegreerde maskers van James Ensor :

Dit leidt me tot de vraag: welke garantie is er dat de man met de bolhoed aangesproken wordt ? Anders gezegd, hoe vermijdt men (schijn)erkenning met een niet-identiteit ? En hoe herkent men erkenning tussen ikheden ? Misschien bedoelt Habermas dat die er nooit zuiver kan zijn (anders was er geen paradox, dan was het mogelijk taalloos eens te zijn). En toch vraag ik me af waarom het niet mogelijk zou kunnen zijn dat twee ikheden a priori met elkaar kunnen connecteren (verbinden) vóór de dialoog. Iets intuitief in mezelf zegt dat er iets aanwezig is in mezelf dat ik in de andere kan herkennen zonder dat deze in woorden iets moet zeggen.
No comments:
Post a Comment