Friday, 17 January 2014

Austin, John Langshaw (1911 - 1960)

Opdracht Examen Onderzoeksmethoden deel 3 - december 2013

Volgens Isaiah Berlin moeten we Austins filosofie kaderen in het streven van elke filosoof de taalstructuur te onderzoeken en de wijze waarop wij denken. Austin was niet enkel linguïst, maar bovenal filosoof (Berlin, 1972). Austin maakt duidelijk in How to Do Things With Words wat hem drijft: teveel filosofen hebben lang de assumptie gehad dat statements enkel een beschrijvende functie hebben die één of ander feit moeten stellen als waar of onwaar (Austin, 1962a: 1); hij vecht dit aan door het (bij voorkeur dagelijks) taalgebruik aan een zeer accurate en grondige analyse te onderwerpen.

Constatief ↔ Performatief

Austin start met de term constatieve uitspraken, uitspraken die alleen waar of onwaar zijn, te verkiezen boven de term beschrijvende uitspraken omdat niet alles wat waar of onwaar is beschrijvingen zijn (Austin, 1962a: 3). Tegenover constatieven plaatst hij performatieve uitspraken, iets wat hij initieel (Austin, 1962a: 5) beschrijft als uitspraken die voldoen aan 2 voorwaarden:
a) een performatieve uitspraak kan happy of unhappy zijn, dit in tegenstelling tot “waar” of “onwaar”. De unhappiness van een uitspraak relateert Austin aan infelicities d.w.z. dingen die fout kunnen
zijn / lopen tijdens die uitspraak (Austin, 1962a: 14); bv. onoprechtheid, misbruik, e.d.m.; hij maakt hier later ook een onderscheid tussen “ongelukkig” en “infelicitous”, bv. een verdict van een scheidsrechter kan ongelukkig zijn (hij vergist zich) maar toch felicitous, de actie is niet nietig, niet onoprecht, etc. (Austin, 1962a: 43).
b) het performatief spreken is ook handelen, mits er aan bepaalde conventies voldaan is (Austin, 1962a: 14). Austin geeft hier een voorbeeld: “Ik noem dit schip de ‘Queen Elizabeth’”. Volgens hem is deze uitspraak happy indien er aan de nodige conventies voldaan is (ik ben gerechtigd om het schip een naam te geven, deelnemers nemen mij in die rol waar, zij doen mee aan de ceremonie, etc.) en dus door de zin te zeggen doe ik ook iets m.n. het schip een naam geven.

Locutief, illocutief en perlocutief

Austin ontdekte echter dat zijn distinctie tussen constatief en performatief niet geheel zuiver was. Ten eerste stelde hij vast dat zelfs performatieve uitspraken waar of onwaar konden zijn bv. “Ik waarschuw je dat de stier op het punt staat aan te vallen”, indien de stier niet op het punt staat aan te vallen, is volgens Austin eerder een fout te noemen dan een unhappiness (Austin, 1962a: 55). Ten tweede merkt hij op dat iedere uitspraak, dus ook een constatieve, in bepaalde opzichten altijd een vorm van handelen is bv. de uitspraak “Johan loopt” is hetzelfde als “Ik zeg dat Johan loopt” (Austin, 1962a: 55-91). Maar leidt dit nu tot de conclusie dat Austins onderscheid tussen constatieven en performatieven niet klopt ? G. J. Warnock stelt van niet (Warnock, 1973: 75-76): een onderscheid blijft volgens hem gelden, Austin evolueert gewoon naar een nieuw, algemener inzicht want zelfs al is elke uitspraak ook een handeling, het soort handelen in de uitspraak “De trein vertrekt om 3u.” is geenszins hetzelfde als het soort handelen in de uitspraak“Schoppen is troef”.
Met dit nieuw inzicht introduceert Austin de termen locutieve handeling (Austin, 1962a: 94-98) d.w.z. het doen van een uitspraak (“Hij zei tegen mij ‘Schiet haar neer !’”) maar eo ipso doen we dit op een bepaalde manier, met een zekere kracht (“Hij drong aan haar neer te schieten.”), een handeling die hij illocutief noemt (Austin, 1962a: 98-101) en die op zijn beurt een bepaald effect creëert op personen (“Hij overtuigde me haar neer te schieten.”), dit noemt hij een perlocutieve handeling (Austin, 1962a: 101). Austin gaf over zijn theorie bekende sessies op zaterdagochtend, waar hij in besloten groep filosofische teksten analyseerde (Warnock, 1973: 31-45) cf. ook de bundel Sense and Sensibilia waar hij bv. Ayers concept van sense-data bekritiseert door o.a. op de zwakheid te duiden van zijn definitie “material object” (Austin, 1962b: 6-9).

Austin introduceerde met termen als performatief, locutief, illocutief of perlocutief een ommekeer in de wijze waarop er aan taalfilosofie gedaan wordt, en deze wordt tot op vandaag hierdoor geïnspireerd, zoals bv. in John Searles Speech Acts (Searle, 1969).
Austin stierf op 48-jarige leeftijd aan longkanker.

Kritische Bibliografie

Primaire literatuur

Austin, J.L.
1939 “Are There A Priori Concepts”, Proceedings of the Aristotelian Society, vol. 18
1946 “Other Minds”, Proceedings of the Aristotelian Society, vol. 20
1950a “Truth”, Proceedings of the Aristotelian Society, vol. 24
1950b Foundations of Arithmetic, Oxford: Blackwell, 119 p., vertaald van Frege’s Grundlagen
der Artihmetik.
1953 “How to Talk-some simple ways”, Proceedings of the Aristotelian Society, vol. 53
1956 “Ifs and Cans”, Proceedings of the British Academy, vol. 42
1962a How to Do Things with Words, Urmson, J.O. (ed.), Oxford: Clarendon Press, 166 p.
1962b Sense and Sensibilia, Warnock, G.J. (ed.), Oxford: Clarendon Press, 144 p.
1966a “Three Ways of Spilling Ink”, L.W. Forguson (ed.), Philosophical Review, vol. 75
1979 Philosophical Papers, Warnock, G.J. - Urmson, J.O. (eds.), Oxford: Clarendon Press,
306 p.

Secundaire literatuur

Ayer, A.J.
1940 “Has Austin Refuted the Sense-Datum Theory?”, Synthese, vol. 17
Berlin, Isaiah e.a.
1973 Essays on J.L. Austin, Oxford: Clarendon Press, 190 p.
Searle, J.R.
1968 “Austin on Locutionary and Illocutionary Acts”, Philosophical Review, vol. 77
1969 Speech Acts, Cambridge: Cambridge University Press, 203 p.
2005 “J. L. Austin (1911–1960)” in: Martinich, A.P. - Sosa, D. (eds.), A Companion to
Analytic Philosophy, Oxford: Blackwell, 497 p.
Strawson, P.F.
1949 “Truth,” Analysis, vol. 9
1964a “Intention and Convention in Speech Acts,” Philosophical Review, vol. 73
Urmson, J.O.
1965 “A Symposium on Austin's Methods,” Journal of Philosophy, vol. 62
1977 “Performative Utterances,” in: French, P.A. - Uehling, T.E. Jr. - Wettstein, H.K. (eds.),
Midwest Studies in Philosophy Volume II, Minneapolis: University of Minnesota Press.,
285 p.
Warnock, G.J.
1963a “John Langshaw Austin: A Biographical Sketch”, Proceedings of the British Academy,
vol. 49

Boekbesprekingen

Cerf, W.
1966b “Critical Review of How to Do Things with Words”, Mind, vol. 75
Chisholm, R.
1963b “Austin's Philosophical Papers”, Mind, vol. 73

Internetdocumenten

Berlin, Isaiah
1972 Logic Lane: I'm going to tamper with Your Beliefs A Little, ‘online video YouTube’,
http://www.youtube.com/watch?v=FtbuvgLEreQ#t=437 (geraadpleegd op 25.12.2013)

Persoonlijke appreciatie

Heuristiek en ervaring

In mijn zoektocht ben ik gestart met encyclopedieartikelen van Stanford, Routledge, Encyclopedia of Philosophy en The Continuum Encyclopedia of Britisch Philosophy te lezen. Het is echter vooral door primaire (1962a, 1962b) en secundaire literatuur (1973) door te nemen dat ik een inzicht kreeg. Omdat ik in het artikel zelf een zo objectief mogelijke weergave wou schetsen (i.p.v. een andere over te nemen) koos ik voor het auteur-jaarsysteem, zowel voor bibliografie als referentie. Dit maakte de keuze voor een aparte “Bibliografie van de geraadpleegde literatuur” overbodig.

Oordeel


Inhoudelijk ben ik langzaam maar zeker geboeid geraakt door taalfilosofie, met een diep respect voor Austin. Eens ik de essentie doorhad lazen zijn boeken veel vlotter. Filosofie begint bij de taal (al in een vroeg stadium). Austin straalt een natuurlijke autoriteit uit en je waant je bijna in het Oxford eerste helft 20e eeuw, meeluisterend naar zijn lezingen of participerend in een zaterdagochtendsessie. Het heeft me aangezet om de evolutie na Austin te begrijpen bv. Searles interessante lezingen op Berkely over taalfilosofie (zie www.youtube.com/watch?v=P8rBECMnNAk), 28 sessies van meer dan een uur elk ! N.B. Het was best moeilijk te trachten Austins onderscheid tussen “unhappy” en “infelicitous” te vertalen waar zelfs de Oxford en Websters woordenboeken deze termen als synoniemen beschouwen.

No comments:

Post a Comment