Opdracht Examen Moderne en Hedendaagse filosofie - juni 2014
Rousseau was een Frans Verlichtingsdenker die van grote betekenis is geweest voor zowel de Franse Revolutie, stromingen zoals de Romantiek of filosofen als Kant of Rawls. Maar meteen moet hier al bij opgemerkt worden dat Rousseau geen typische vertegenwoordiger van de Verlichting was. Als men zijn ‘Discours sur l'Origine et les Fondemens de l'Inégalité parmi les Hommes (1753)’ leest merkt men op dat hij reflectie en dus rede - toch het wapen van de Verlichting - iets tegennatuurlijk vindt en hij stelt zelfs dat “de mens die nadenkt” een “ontaard dier” is. Andere uitspraken van hem zoals dat “de werkzaamheid van de hartstochten onze rede vervolmaakt” klinken ook niet bepaald als een Verlichtingsdenker.
Het hoeft dan ook niet te verbazen dat Rousseaus filosofie niet zozeer ontstaat uit logische, redelijke verbanden tussen niet langer betwijfelbare proposities, à la Descartes, maar eerder uit plotse ingevingen die niet alleen zijn gebaseerd op een rijping van het denken maar evenzeer op gevoel. Niet alleen “je pense, donc je suis” maar ook “je sens, donc je suis”.
Zo zegt hij ook van zichzelf later in zijn ‘Confessions (1781)’ - een zeer open en emotioneel geladen biografische bundel - dat hij “in een staat van zenuwachtigheid was die grensde aan waanzin” toen hij in een krant de prijsvraag las die de Académie van Dijon in 1749 stelde: “Heeft het herstel van kunsten en wetenschappen sinds de Renaissance bijgedragen tot verbetering en verheffing van de zedelijkheid ?”. Rousseaus antwoord hierop was meteen zijn eerste verhandeling ‘Discours sur les Sciences et les Arts (1750)’. Volgens hem waren kunsten en wetenschappen geen monumenten van vooruitgang, maar van moreel verval. Maar zijn kritiek is eigenlijk nog fundamenteler: niet enkel de waarde van cultuur maar de gehele vooruitgang van geestelijke vorming bij de mens leidt tot zedelijke achteruitgang. Om dat te begrijpen moeten we teruggrijpen naar Rousseaus visie over de natuurlijke staat van de mens en over ongelijkheid.
1. De natuurtoestand
In zijn verhandeling over ongelijkheid uit 1753 stelt Rousseau herhaaldelijk dat “de mens van nature goed is, maar corrupt wordt door de samenleving”. Hiermee gaat hij in tegen Hobbes die juist zei dat de mens in natuurlijke toestand in een strijd van “allen tegen allen” terecht komt (‘the state of nature is a state of war’). Wat Rousseau doet is Hobbes volledig omdraaien. Het eerste verwijt aan Hobbes is diens stelling dat de natuurmens - niet wetend wat goed is - van nature slecht zou zijn. Dat deze mens daarom nood zou hebben aan een machtsbestel (de staat) opdat men “in vrede kan leven”. Maar voor Rousseau is het juist “de wilde mens” die in vrede is, die in zijn geïsoleerdheid en onafhankelijkheid, in het bezit van zijn overlevingsinstinct, in zijn onwetendheid over goed en kwaad, geen kwaad kan doen. En juist omdat deze geïsoleerde mens zonder mogelijkheid tot vergelijking of competitie niet ten koste kan leven van de andere is hij van nature goed, hij leeft voor zichzelf in de meest zuivere zin van het woord. Rousseau heeft hier een mooie term voor: amour de soi. Als er hier sprake is van ongelijkheid dan enkel fysieke ongelijkheid.
In zijn verhandeling over ongelijkheid uit 1753 stelt Rousseau herhaaldelijk dat “de mens van nature goed is, maar corrupt wordt door de samenleving”. Hiermee gaat hij in tegen Hobbes die juist zei dat de mens in natuurlijke toestand in een strijd van “allen tegen allen” terecht komt (‘the state of nature is a state of war’). Wat Rousseau doet is Hobbes volledig omdraaien. Het eerste verwijt aan Hobbes is diens stelling dat de natuurmens - niet wetend wat goed is - van nature slecht zou zijn. Dat deze mens daarom nood zou hebben aan een machtsbestel (de staat) opdat men “in vrede kan leven”. Maar voor Rousseau is het juist “de wilde mens” die in vrede is, die in zijn geïsoleerdheid en onafhankelijkheid, in het bezit van zijn overlevingsinstinct, in zijn onwetendheid over goed en kwaad, geen kwaad kan doen. En juist omdat deze geïsoleerde mens zonder mogelijkheid tot vergelijking of competitie niet ten koste kan leven van de andere is hij van nature goed, hij leeft voor zichzelf in de meest zuivere zin van het woord. Rousseau heeft hier een mooie term voor: amour de soi. Als er hier sprake is van ongelijkheid dan enkel fysieke ongelijkheid.
Maar wat Hobbes ook ontgaat volgens Rousseau is een andere fundamentele eigenschap van de mens die volgens hem universeel is, die diep verankerd ligt in onze natuur en die voorafgaat aan elk nadenken. En deze eigenschap is medelijden. De mogelijkheid om in bepaalde omstandigheden het instinctief verlangen naar zelfbehoud te temperen om het leed van een ander (zelfs een dier) weg te nemen of te verminderen. Rousseau verwijst ook hier ook uitdrukkelijk naar Mandeville, een Nederlands filosoof-dichter die in 1723 via zijn boek ‘Fabel van de bijen’ deze eigenschap bij wijze van voorbeeld toonde door het beeld van de medelevende mens die vol afschuw moet aanzien hoe een wild dier een kind ontrukt uit de schoot van een moeder en levend verscheurt.
2. De maatschappijtoestand
Waar Mandeville stopt gaat Rousseau verder. Het is juist dit door de natuur ingegeven medelijden dat alle maatschappelijke deugden mogelijk maakt. Vergevingsgezindheid, vrijgevigheid, genegenheid, vriendschap, .. deze sociale eigenschappen zouden niet mogelijk zijn zonder dit natuurlijke gevoel dat mij stelregels ingeeft om goed te zijn voor een ander. En het is pas in een samen-leven, in een maatschappij, dat zaken zoals moraliteit of zelfbewustzijn echt kunnen onstaan.
Waar Mandeville stopt gaat Rousseau verder. Het is juist dit door de natuur ingegeven medelijden dat alle maatschappelijke deugden mogelijk maakt. Vergevingsgezindheid, vrijgevigheid, genegenheid, vriendschap, .. deze sociale eigenschappen zouden niet mogelijk zijn zonder dit natuurlijke gevoel dat mij stelregels ingeeft om goed te zijn voor een ander. En het is pas in een samen-leven, in een maatschappij, dat zaken zoals moraliteit of zelfbewustzijn echt kunnen onstaan.
En zo kunnen we nu wel de brug maken naar Rousseaus ogenschijnlijk pessimistische visie over de maatschappij ofschoon zijn bekende uitspraak: “De mens wordt vrij geboren en overal ligt hij in ketenen geboeid”. Want waarom is voor hem de kans groter dat in zo’n samenlevingsverband eigenschappen als misleiding, afhankelijkheid, dominantie, hebzucht, enz de overhand zullen nemen ? Waarom niet evengoed positieve morele eigenschappen die vredig samenleven in de hand werken ? Het antwoord ligt vervat in Rousseaus introductie van een concept dat pas kan onstaan vanuit competitie: amour propre. Een zelf-liefde opnieuw zoals bij amour de soi, maar deze keer in sociale afhankelijkheid, op zoek naar erkenning van de andere. Hij gebruikt het voorbeeld van de liefde waar de jaloezie van minnaars en de wraak van echtgenoten elke dag leiden tot duels, tot moordpartijen of waar de verplichting tot eeuwige trouw overspel alleen maar in de hand werkt. Of het voorbeeld van materiële afhankelijkheid waar de ondergeschikte valse erkenning geeft aan superieuren om zijn noden te kunnen blijven vervullen. Hier is sprake van een politieke en morele ongelijkheid die enkel bestaat omdat wij ze hebben gecreëerd.
De amour propre is m.a.w. oorzaak van moreel verval al moet er meteen de kanttekening bij worden geplaatst dat voor Rousseau het ook de ontwikkeling van rationele capaciteiten en zelfbewustzijn in de hand werkte. Dit is pas hoe moraliteit echt onstaat voor Rousseau: via de zelfbewustwording als sociale mens, via een redelijkheid die gemotiveerd is door een geweten (wat hier een metafysisch begrip is).
En zo kwam Rousseau tot het kernprobleem waar zijn belangrijkste werk ‘Maatschappelijk contract (1762)’ om draait m.n. hoe brengen we individuele vrijheid en autoriteit van een samenleving terug samen ? M.a.w. wanneer is een staat legitiem ? Wat voor macht maakt een staat denkbaar in harmonie met vrijheid ?
3. De algemene wil
Rousseaus antwoord in essentie klinkt voor ons zeer democratisch : enkel wanneer een staat gestuurd wordt door de algemene wil van het volk is deze legitiem. Dit vergt enige verduidelijking. Want waarom maakt enkel een afspraak met het volk een staat legitiem ? Hoe komt men dan tot die algemene wil ? Bestaat dat wel ? En is zo’n wil representeerbaar ?
Rousseaus antwoord in essentie klinkt voor ons zeer democratisch : enkel wanneer een staat gestuurd wordt door de algemene wil van het volk is deze legitiem. Dit vergt enige verduidelijking. Want waarom maakt enkel een afspraak met het volk een staat legitiem ? Hoe komt men dan tot die algemene wil ? Bestaat dat wel ? En is zo’n wil representeerbaar ?
Laten we aannemen dat er inderdaad een algemene wil is van het volk. Rousseau stelt dan dat een burger in staat is zijn individuele private wil opzij te zetten voor de algemene wil van de samenleving. Omdat hij inziet dat bepaalde wetten universeel zijn en dus ook goed voor hem bv elkaar in vrede laten samenleven. Maar ook omdat hij zich identificeert met de gemeenschap. Dus de algemene wil is ook zijn wil. Of dit ook altijd klopt is voor discussie vatbaar maar het is volgens Rousseau de reden waarom de burger geen vrijheid verliest. Hij ruilt zijn individuele (natuurlijke) vrijheid in voor een civiele vrijheid. Eén die hem garanties waarborgt zoals bescherming en vrede. En dankzij die civiele vrijheid krijgt de burger pas een morele vrijheid d.w.z. de mogelijkheid tot plichtsgevoel om zichzelf wetten op te leggen (hier merken we duidelijk een link naar Kants Categorische Imperatief).
Dus voor Rousseau moet de algemene wil van het volk de bron zijn van wat gerepresenteerd wordt door de staat om deze legitiem te maken. Maar waarom ? Hij komt tot die conclusie omdat volgens hem geen enkel mens een natuurlijk gezag heeft over zijn gelijke (wel sociale ongelijkheid zoals reeds uitgelegd) en omdat macht geen enkel recht vooruitbrengt (macht dwingt m.a.w. het verkrijgt geen wil, geen plicht, het voegt dus aan recht niets toe). Blijft dus over: de wederzijdse toestemming.
Maar hoe komen we dan tot wederzijdse toestemming ? Via stemming. Het volk spreekt. En voor zij die zich dan nog afvragen hoe een burger vrij kan zijn en tegelijk geforceerd om een wil te aanvaarden die de hunne niet is zegt Rousseau dat een burger “verplicht is om vrij te zijn”. Wat hij eigenlijk wil zeggen is dat als ik een tegenovergestelde mening heb dit slechts bewijst dat ik me vergist heb te denken dat mijn wil de algemene wil was. En de algemene wil primeert want zij is de enige rechtmatige grondslag van een maatschappij.
Rest nog de vraag hoe een staat zo’n gemeenschappelijke wil kan representeren. Rousseau weigert het Hobbesiaanse idee dat zoiets legitiem kan door een group individuen of een soeverein. Immers, het zelfrecht zou dan afhangen van beslissingen en competentie wat voor Rousseau een symptoom is van morele achteruitgang. Hij laat wel een opening voor een overheid i.p.v. een soeverein maar enkel dan indien de wetten geconstitueerd zijn door het volk en de overheid daarin vooral een uitvoerende taak heeft.
4. Rousseaus invloed
Men kan deze moeilijk overschatten. Zo is de republikeinse grondwet van Frankrijk ontworpen naar het voorbeeld van het ‘Maatschappelijk contract’, zo putte de slagzin ‘Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap’ zijn pathos uit de revolutionaire hartstochtelijkheid van Rousseau. Maar ook zijn invloed op stromingen zoals Sturm und Drang (Goethe en Schiller bewonderden Rousseau) of de Romantiek.
Tot slot mag ook zeker niet onderkend worden hoe o.a. Hobbes’ visie op de natuurmens en staat, Diderots cultuurkritiek en pessimisme tegen vooruitgang en een duidelijk Cartesiaanse beschrijving van dieren invloed moeten hebben gehad op Rousseau.
Wat echter filosofisch meteen opvalt zijn de raakvlakken met Kant en Rawls. Kants Categorische Imperatief waar de mens als vrij en redelijk wezen handelt volgens een wet waarvan men zelf de wetgever is, vindt men meteen terug in Rousseaus concept van morele vrijheid. En Rawls concept van de “originele positie in de sluier der onwetendheid” reflecteert Rousseaus geloof dat burgers rechtvaardige wetten kiezen omwille van hun universeel karakter.
Maar ook in Hegels heer-slaaf-dialectiek vindt men het tegen zichzelf kerende karakter van Rouseaus amour propre terug, zo zegt Rousseau in het begin van diens ‘Maatschappelijk verdrag’: “diegene die zich heer en meester over anderen waant, is uiteindelijk meer slaaf dan zij”. En Nietzsche vondt ook zeker bijval met Rousseaus cultuurkritiek, de natuurlijke staat van de mens en diens “eenvoudige deugden”. En bij Marx kan men gelijkenissen vinden met Rousseaus kritiek op privé-eigendom.